Een notendop over maagdarmwormen bij schapen. Zij zijn verantwoordelijk voor het overgrote merendeel van de sterfte bij schapen wereldwijd. Gelukkig leidt infectie ook heel vaak niet tot ziekte, laat staan sterfte. Schapen in goede conditie kunnen een bepaalde normale/fysiologische hoeveelheid maagdarmwormen aan zonder ziek te worden doordat ze weerbaar zijn. Sterker nog, ze kunnen met hun eigen immuunsysteem weerstand bieden en de parasieten hun reproductie laag houden.
De levensyclus van de meeste maagdarmwormen is vereenvoudigd als volgt: de maagdarmworm scheidt eitjes uit die via de mest op de weide komen. Deze eitjes ontpoppen in de juiste omstandigheden al na een 14 dagen tot soms pas na 6 maanden tot larven. Verschillende soorten larven klimmen tot 10cm hoog op de grassprieten. Vervolgens eten de grazers de larven op welke zich tot volwassen worm ontwikkelen in het dier.
1) De meest gevreesde bij zowel lammeren als volwassen schapen is de bloedzuigende haemonchus contortus (rode lebmaagworm). Komt bij alle herkauwers voor. Deze ontwikkelt zich enkel tot een larvestadium bij temperaturen boven de 5°C. Infecties treden dan ook niet op tijdens de winter. Wel kan de worm overwinteren in de dieren. Door de klimaatsopwarming rukt dit tropische beestje noordwaarts op en wordt een toenemend probleem tijdens warme zomers. Soms gaat het om massale infecties op enkele weken tijd, zeker bij nachtelijke temperaturen boven de 15°C. Door acute bloedarmoede kunnen meerdere schapen op enkele dagen overlijden na een warmere periode. Soms kan een slepende infectie ook een hoogdrachtige ooi vellen aan het einde van de winter.
2) Nematodirus (voorjaarsworm) is een tweede belangrijke maagdarmworm die vooral lammeren en jonge dieren aantast. Oudere dieren in voldoende conditie hebben normaal goede immuniteit. Deze parasiet veroorzaakt vertraagde groei, algemeen onwelzijn, vermagering en diarree in een laat stadium. Deze worm heeft net vorst (<0°C) nodig om de eitjes te laten openbarsten en de larven worden nadien actief als het zachter weer wordt. Infecties treden vooral op bij lammeren in de vroege lente of in het najaar al na een eerste vorstperiode als zij op een weide liepen waar het voorbije jaar jonge dieren liepen. Je kan besmette dieren veilig tussen onbesmette dieren laten lopen zonder risico tenzij er nog vorst is. Het risico volgt pas volgend seizoen. Daarom kan het interessant zijn om niet jaarlijks op dezelfde weide jonge lammeren te laten grazen.
Strongylus-type eitje (bvb Haemonchus Contortus), 400x vergroot
Nematodirus battus eitje, 400x vergroot
Monieza (lintworm) eitje, 100x vergroot
Andere maagdarmwormen zoals schapenlintworm (gekenmerkt door zichtbare witte stukjes die in de mest komen), zweepworm (kleine, rugby-vormige zwarte eitjes zichtbaar op 40x vergroting),... zijn veelal onschadelijk. Meestal zijn dit gunstige tekenen van geen overdreven ontwormings-politiek op het bedrijf. Sommige wormen zoals teledorsagia kunnen tijdelijk wat diarree en vermagering geven bij lammeren wat voor de slacht verminderde productie kan geven.
De meest belangrijke andere maagdarmworm is de leverbot (Fasciola hepatica). Dit is een tragere doder. Sterfte kan wel plots optreden, doch langere tijd na de besmetting (maanden, soms jaren). Door aantasting van de lever kunnen bepaalde eiwitten die voor de vochtbalans instaan niet voldoende meer worden aangemaakt in het bloed. De dieren krijgen last van grote vochtophoping. Uiteindelijk overlijden de dieren aan chronische bloedarmoede en leverfalen. Vaak treedt er niet veel vermagering op. Eitjes hiervan opsporen is niet makkelijk zelf te doen. Men moet er op bedachtzaam zijn wanneer er gedurende het jaar soms poelen of plassen in de weide aanwezig zijn of vijvers. De poelslak is namelijk een tussengastheer in de levenscyclus van de leverbot waarin de larven maturiseren om erna pas op de weide te komen en besmetting bij de schapen te veroorzaken. Goede afwatering en regelmatig vers drinkwater zijn hierbij de beste preventieve maatregel.
Oedeem (vochtophoping) rondom de snuit, wangen en onderkaak bij een volwassen ooi door eiwitgebrek tgv aanslepende worminfectie, vermoedelijk leverbot. Dit dier is volledig genezen na behandeling.
Een behandeling met een ontwormingsmiddel is nooit 100% effectief, dat wil zeggen dat er altijd een kleine fractie parasieten overleven. Deze zullen vervolgens hun eitjes blijven uitscheiden. Een goed werkende behandeling doodt 95-99% van de aanwezige parasieten. Bij een 100% effectieve dosis zou het toxische product veelal ook schadelijk zijn voor het schaap. Door veelvuldig gebruik van ontwormmiddelen komen steeds vaker maagdarmwormen voor die de medicatie overleven en zich zo sneller vermenigvuldigen dan de wormen die er wel aan bezwijken. Het is waarschijnlijk dat onder het huidige beleid door die ontworm-resistentie in de toekomst geen enkele van de beschikbare antibiotica nog voldoende werkzaam zal zijn. Voor vele middelen, voornamelijk de benzimidazolen is in reeds 80% van de bedrijven volledige of gedeeltelijke resistentie. We weten dat hiervoor bij de strongylus-type nematoden maar 1 mutatie voor nodig is.
Je kan op resistentie tegen gebruikte middelen controleren door een microscopisch mestonderzoek/ FEC (fecal egg count) voorafgaand aan de ontworming én een tweede maal 7 tot 14 dagen na de toediening (in functie van het gebruikte middel en de werkingsduur). Indien nog meer dan 10% van de oorspronkelijke hoeveelheid 'eitjes per gram' (EPG) aanwezig is kan je spreken over minstens gedeeltelijke resistentie.
Door veelvuldig gebruik of noodzaak tot gebruik van meerdere ontwormingsmiddelen tijdens eenzelfde seizoen kunnen de kosten van de medicatie/dierenarts voor de fokker nogal oplopen. Het is dus nuttig om te weten welke dieren besmet zijn en welke middelen werken.
Minder uitgescheiden ontwormmiddelen die op de weide/in de natuur komen, minder colateral damage. Ook regenwormen en andere nuttige dieren lijden onder bvb uitscheiding van ivermectine, moxidectine in de stoelgang/urine die in de bodem komt. Deze producten blijven langdurig aanwezig.
Regelmatig de dieren van weide veranderen. Zo worden besmette weides waar eitjes uitgekomen zijn en zich tot larve ontwikkelden vermeden. Zodoende eten de schapen geen/minder van deze larven op. Zo ontwikkelen er uit deze larven minder maagdarmwormen en blijven de schapen langer gezond. Dit leidt tot minder nood aan behandeling.
Op een 'veilige' weide graasden in principe gedurende 6 maanden geen herkauwers. Op een 'schone' weide liepen gedurende 3 maanden geen schapen op. De kans op ernstige besmettingen op zo'n weide is al zeer klein. Tijdens de winter kan je dan de dieren op een veilige of schone weide laten grazen gedurende 4 weken of meer. Tijdens de zomer kunnen voornamelijk haemonchus larven al ontpoppen binnen de 2 weken. Zeker bij nachtelijke temperaturen boven de 15°C Indien je geen nieuwe infectie bij de dieren wenst zou je dus om de 14 dagen een schoon stuk weide moeten aanbieden. Bij vele veehouderijen is dit praktisch niet haalbaar, hier zijn andere oplossingen nodig om de 'wormdruk' op de weide laag te houden.
Verder geldt ook dat de lengte van het gras een belangrijke rol speelt omdat de meeste larven niet veel hoger dan 10cm kunnen klimmen. Weides waar het gras hoger dan een vuist hoog staat geven dus ook een veel lagere parasiet-belasting. Een rotatiesysteem op je bedrijf inbouwen waar dieren telkens op zo'n weide komen is in de zomer veelal wel haalbaar.
Indien de schapen 's winters bijvoeding krijgen zoals hooi, luzerne, bieten dan kunnen ze ook gedurende veel langere tijd op eenzelfde stuk verblijven. Dan eten ze namelijk minder larven omdat gras niet hun hoofdvoeding is. Verder ontpoppen de larven minder snel uit hun eitjes omwille van de veel lagere buitentemperaturen.
Door enkel zieke dieren te ontwormen kan je een deel van de 'medicatie-gevoelige' wormpopulatie laten overleven zodanig dat niet enkel de 'super-wormen' overleven en hun eitjes over de weide strooien. Zo raken de behandelde dieren weer (in lichtere mate) besmet met eitjes van 'medicatie-gevoelige' wormen die in de darm concurreren met de 'medicatie-resistente' wormen die daar achterbleven.
Selecteren welke dieren je behandelt kan enerzijds door gebuik te maken van klinische tekenen bij de dieren:
Bloedarmoede: die je kan beoordelen door de roodheid van de slijmvliezen te vergelijken met de Famacha-kaart
Diarree: Meestal bij jonge lammeren ten gevolge van gevorderde nematodirus infectie. Bij oudere lammeren gaat het soms om teledorsagia. Helaas is diarree geen goed criterium om infecties op te sporen, vele wormen geven geen diarree. Bij de haemonchus contortus zien we zelfs vaak droge kleine keutels.) Opgelet: vele dieren met diarree hebben helemaal geen parasitaire infectie. Te eiwitrijke of structuurarme voeding kan ook tot diarree leiden.
Vermagering treedt vaak op bij aanslepende infecties. Soms vallen helaas ook vette dieren dood als zij lijden aan acute bloedarmoede.
Vochtophoping onder de kaak en op de kop
Trage groei bij lammeren, zeker als een lam achterblijft na het spenen moet men bedacht zijn op wormen. Voor het spenen is het eerder aangewezen de moeder na te kijken in zo'n geval.
Anderzijds kan geöpteerd worden voor mestonderzoek:
Hierdoor weet je al welke dieren aangedaan zijn vooraleer ze symptomen vertonen.
Dit is goedkoop, je kan het zelf thuis mits je over een simpele 40x vergroting microscoop, een thee-zeefje, water, keukenzout en suiker beschikt. Microscopische telling duurt per monster bij ons manueel een kleine 5 minuten.
Indien u hier vragen over heeft of wenst dat wij een monster voor u onderzoeken, contacteer ons gerust.
Het kost je enkel de tijd/aandacht voor regelmatige bemonstering. Dit kan door simpelweg eens door je koppel schapen te lopen, vaak zullen een groot deel van je dieren dan spontaan keutelen. Bij staalname goed opletten van welk dier je de keutels opraapt! Bij warm weer best snel microscopie uitvoeren of monster luchtdicht en gekoeld (<5 graden) bewaren. De keutels mogen overigens niet te lang uitdrogen.
Wij doen dit regelmatig sinds 2022 en ontdekken zo welke van onze dieren voor het merendeel van de wormeitjes-uitstoot zorgen en dus een lage weerstand hebben. Anderzijds toont het ons welke dieren erg weerbaar zijn en ondanks grote hoeveelheid wormen in de darm toch gezond blijven.
McMaster telraam, maakt tellen makkelijker. Kost ongeveer 20 euro. Een flotatievloeistof van 400 gram keukenzout (of 1280 gram kristalsuiker) opgelost in 1000mL water volstaat ruimschoots om de eitjes te laten drijven tegen het telraam aan. Men verdunt 2 gram mest in 28mL flotatievloeistof. Voor goede zichtbaarheid wordt het mengsel gezeefd door een theezeefje. [8]
Dit kan door niet verder te fokken met ongezonde dieren. Enerzijds door te selecteren op basis van symptomen, anderzijds aan de hand van mestonderzoek (zie boven), maar deze resultaten kunnen erg fluctueren in functie van leeftijd, seizoen, de weidegang, al dan niet zogende lammeren, aantal lammeren, voedingstoestand.
Sinds 2018 werkt de NSFO (Nederlandse Schapen- en geitenFokkers Organisatie) aan een methode voor de bepaling van hoeveel weerstand/resistentie een schaap heeft tegen maag-darm wormen/nematoden.
Sinds 2021 is er een fokwaarde opgericht op basis van hoeveelheid immunoglobuline A in het speeksel van ooien een standaard aantal weken na het aflammeren tegen verschillende strongylus-type wormen waaronder de haemonchus. NSFO won hiermee de hoogste prijs voor innovatie op de dag van het schaap. 100 is de gemiddelde fokwaarde. Boven de 100 betekent een uitmuntende weerstand tegen deze wormen, onder de 100 is ondermaats.
Ook onze fokkerij doet aan dit programma mee sinds 2023. Na een eerste jaar strenge selectie en aankoop van dieren gefokt op wormresistentie is de gemiddelde fokwaarde van onze kudde 104,75 (98-110).
Indien je ook wenst mee te doen, neem gerust contact op.
Relatie tussen fokwaarde voor weerstand bij Nederlandse Texelaars (2018) en aantal uitgescheiden eieren per gram mest. Bij een hoge fokwaarde worden gemiddeld tot 50% minder eitjes uitgescheiden. Zowel bij jaarlingen als 2-jarige ooien is dit significant. [6]
We zien enkel een daling in het aantal wormeieren per gram mest (EPG) bij de groep Texelaars met een fokwaarde >115 binnen de 6 weken na het aflammeren. Bij de groep met een fokwaarde <95 is er zelfs nog een forse toename tussen de 3 en 6 weken na het aflammeren. [6]
Blauwtongvirus is een dsRNA-virus dat bij schapen door insecten: knutten/kleine mugjes wordt overgedragen. Besmettingsbron kan rundvee of andere schapen in de omgeving zijn. Ook de Wiltshire Horn is hieraan gevoelig. Meestal sterven niet alle besmette dieren.
Sommige fokkers hadden in het verleden reeds behoorlijke sterfte door blauwtong. De uitbraak in de jaren 2006-2008 in Noordwest Europa betrof blauwtongvirus serotype 8. Bij enkele van de eerste fokkers van de Wiltshire Horn schapen in België stierf toen 1/3 van de dieren naar verluidt. Bij andere fokkers stierven geen van de dieren met symptomen. De voorbije jaren werden geen problemen meer gemeld binnen onze vereniging. In Zuid-Europa heerst serotype 4 welke tot in Noord-Frankrijk oprukte en in 2019 gevaarlijk dichtbij kwam. [15] Na doormaken treedt er bij het dier minstens een tijdelijke immuniteit op.
Om schapen naar het buitenland te exporteren was voor FAVV tem 2022 een bewijs van blauwtongvaccinatie tegen serotype 8 en vereist, minstens 60 dagen voor vertrek. In 2023 werd België blauwtongvrij verklaard.
Sinds 5 september 2023 is er een uitbraak in Nederland met serotype 3 welke zich sneller uitbreidt dan de uitbraak van 2006. Bijna alle van de dusver besmette dieren vertoonden ziektetekenen. Het sterftecijfer zou op 10-30% liggen in najaar 2023. Op 6 oktober werd de eerste verdenking van zieke dieren in België gemeld. Door gunstige windrichting en afkoelen van de temperaturen zijn de problemen in België zeer beperkt gebleven. Najaar 2023 zijn in Nederland in totaal 50.000 extra schapen overleden in 3 maanden tijd dan het jaar voordien. Sinds eind oktober 2023 mogen besmette schapen, geiten en runderen terug vrij tussen België en Nederland vervoerd worden. In de zomer 2024 verspreidde het virus binnen België massaal en gaf rond eind juli massale uitbraak over het hele land. Er werd recent een vaccin ontwikkeld dat goed blijkt te werken waardoor het sterftecijfer lager ligt en de symptomen vaak beperkt blijven. De gevaccineerde dieren herstellen meestal wel goed, doch niet altijd.
Bij schapen met symptomen kan een pcr-test afgenomen worden op bloed of speeksel. Via antistofbepaling in het bloed kan men ook achteraf bij overlevende dieren een vroegere infectie in de kudde aantonen indien deze niet gevaccineerd werden.
Zo goed als alle dieren krijgen een periode van koorts van minstens 1-3 dagen na een incubatietijd van ongeveer 2-20 dagen. Veel dieren hebben verder weinig of geen andere symptomen (3/4).
Neusuitvloei wordt vaak (1/4) doch niet altijd gezien. De zieke dieren krijgen soms blaasjes of letsels in de muil en slokdarm. Drinken zelf doen ze vaak (1/6) niet omdat dit in de slokdarm pijn kan doen. Ook eten doen ze vaak (1/3) niet of minder voor een periode van enkele dagen tot meerdere weken. Dit is zichtbaar door de lege pensmaag. Je ziet dan een holle flank.
Ze kunnen bijgevolg snel vermageren. Veel dieren vertonen tijdens de koortsfase (eerste week) ook zwelling van de kop (1/4) en ook de tong kan zwellen of zelfs blauw tonen. Ook longontstekingen of massale worminfecties met bloedarmoed kunnen voorkomen door verzwakking van het immuunsysteem. De grootste sterfte treedt op binnen de 8 dagen. Abortus/verwerpen van de lammeren wordt vaak gezien als tijdens de dracht. Na de acute fase ziet men regelmatig klauwontsteking of ontschoeiing waardoor de dieren nog enkele weken tot maanden manken. De overlevenden herstellen vervolgens traag van ziekte.
Een deel van de besmette schapen vertoont weinig of geen symptomen. Zo krijgt men deels een natuurlijke selectie. Mogelijks raakt ook een deel van de kudde niet besmet door toeval of door minder kans op knuttenbeten.
Rammen die koorts gemaakt hebben, kunnen enkele maanden minder vruchtbaar zijn.
Geen. Antibiotica heeft in eerste instantie geen zin bij een dergelijke virale infectie. Uitsluitend ondersteunende maatregelen kunnen. Dieren die geen vocht meer innemen door pijnlijke wondes in de mond kan men vocht/ORS/propyleenglycol met een een drench of drinkfles (sommigen gebruikten een glazen wijnfles) toedienen. Ook mals gras of zachte geweekte pulp/appelmoes kan dieren aanzetten tot eten.
Tegen ontsteking, pijn, koorts kan men NSAID zoals meloxicam geven of evt een cortisone. Dieren met opgezwollen kop of tong kunnen soms kort baat hebben van een vochtafdrijver bvb diurizone. Let wel: al deze medicatie kan verliezen van de ongeboren lammeren tot gevolg hebben.
Dieren die longontsteking krijgen kunnen soms ondersteund worden met antibiotica.
Wij vaccineerden jaarlijks onze fokdieren en lammeren tegen BTV serotypes 4 én 8 sinds 2021. Het vaccin kost minder dan 10 euro per dier. De dieren boven op de dijk in de volle wind laten grazen kan preventie bieden. Knutten houden niet van wind. [20][21]
In 2024 vaccineerden wij 6 weken (15 juni 2024) voor de uitbraak (eind juli 2024) al onze dieren met het nieuw ontwikkelde vaccin Syvazul 3 tegen serotype 3. Het scheen goed te werken. Waar sommige collega's in de buurt 15-25% van hun schapen zagen sterven hebben wij zelf geen enkel overleden dier gehad.
Info over vaccin: Vóór deze epidemie in de Lage Landen werden er slechts sporadisch uitbraken van BTV3 gerapporteerd, nl. tussen 2013 en 2018 in Tunesië, Italië, en Israël. Het vaccin is dus nieuw ontwikkeld moeten worden voorjaar 2024. Aangezien het vorige BTV-vaccin een geïnactiveerd vaccin is, is het logisch dat ook deze technologie gebruikt werd om het BTV3-vaccin te ontwikkelen. Geïnactiveerde vaccins hebben hun nut al bewezen voor BTV. De firma Syva maakte de vorige efficiënte vaccins ook. Wij kozen dan ook voor het nieuwe vaccin van deze firma. Een gunstig effect van dit nieuwe vaccin was dan ook te verwachten.
De immuunrespons die nodig is om BTV te voorkomen, bestaat zowel uit B-cellen als uit T-cellen (lymfocyten, een soort witte bloedcellen), tegen verschillende proteïnen van BTV. Het is geweten dat geïnactiveerde BTV vaccins deze bescherming bieden, terwijl dat bij mRNA (waarop een individueel proteïne staat gecodeerd) nog hoogst onzeker is. Bij het coronavirus was dit anders: een B-celrespons tegen het Spike proteïne zou genoeg moeten zijn om een infectie te voorkomen, vandaar dat mRNA een prima optie was. Aangezien de markt voor BTV vaccins eerder beperkt is (en instabiel, gezien de sporadische uitbraken), werd er voor de minst (financieel) risicovolle optie worden gekozen. De ontwikkeling van geïnactiveerde vaccins verloopt wel iets trager. Het natte voorjaar heeft er wel voor gezorgd dat de knutten laat actief werden en het vaccin er net op tijd was.
We bevelen zelf aan om je dieren wél te vaccineren. Het voordeel weegt zeker op tegen de kosten.
Zwoegerziekte veroorzaakt door het Maedi Visna virus kunnen ook de Wiltshire Horns net zoals alle schapen wel krijgen. Dit virus kan je bij schapen vergelijken met AIDS bij mensen. Het is niet overdraagbaar op de mens. Het is ongeneeslijk. Lammeren krijgen het lentivirus meestal al kort na of tijdens de geboorte door bloedcontact met hun besmette moeder of bij het drinken van de biestmelk. Tussen volwassen dieren is er echter zelden besmetting. Dit is in theorie wel mogelijk bij kleine slechtgeventileerde stallen via ingeademde lucht.
De eerste tekenen van ziekte verschijnen echter meestal pas na 3 tot 5 jaar. Het gaat om toenemende, blijvende longverdichtingen en schade aan de longblaasjes zoals bij COVID19. De dieren krijgen moeite met ademen en beginnen te vermageren. Na verloop van tijd komen ze te overlijden. Vaak komen deze dieren achter op de kudde wanneer deze zich verplaatst wegens ademnood. Heel soms kan er ook aantasting voorkomen van de hersenstam. De dieren krijgen dan een ongecoördineerde gang. Deze vorm verloopt sneller. [13]
Met een ELISA-test op een serummonster kunnen de antistoffen opgespoord worden. Aangezien de antistofopbouw jaren kan duren, heeft een individueel onderzoek van één schaap weinig waarde. Pas als alle dieren na twee bloedonderzoeken negatief zijn voor antistoffen kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de kudde vrij is van besmetting.
Naast de ELISA-test is ook een immunodiffusietest (ID) mogelijk. De ID-test is duidelijk minder gevoelig dan de ELISA, maar wel specifieker. Dit wil zeggen dat een antistof-positieve ID-uitslag met zekerheid zwoegerziekte aantoont.
Verder is er ook een PCR-test voorhanden die uitgevoerd wordt op ongestold bloed. Hiermee wordt het virus zelf aangetoond, wat bij twijfelgevallen soms een oplossing kan bieden. [13]
Er is geen behandeling, alle besmette dieren zullen sterven. Preventie gebeurt door alle besmette moeders en hun lammeren uit de kudde te verwijderen en door nieuwe dieren te testen vooraleer zij binnenkomen in de kudde. Bij import van buiten België is een zwoegervrije status van het buitenlandse bedrijf een must of dienen de dieren getest te worden voor binnenkomst. Om zelf een zwoegervrij statuut te krijgen dien je op regelmatige basis al je dieren te testen. [13]
De basisdieren van onze kudde komen uit voormalig zwoegervrij geteste bestanden. Wij hebben zelf geen officiële zwoegervrije status, momenteel heeft geen enkele Wiltshire Horn fokker dit nog. In 2021 hebben wij wel alle oudere ooien getest op zwoegerziekte samen met 5 ramlammeren afkomstig van onze ooien en van de oorsprongskuddes bedoeld voor export naar Duitsland. Alle geteste dieren testten negatief. Dit doet met grote waarschijnlijkheid vermoeden dat onze kudde zwoegervrij was. Sindsdien importeerden we slechts 8 dieren uit Nederland uit een zwoegervrij beslag en kochten wij 1 ooi uit eenzelfde beslag als onze basisdieren. Wij gaan er dus van uit dat onze kudde zwoegervrij is, zeker gezien we ook een goed aandeel dieren hebben dat ouder is dan 5 jaar zonder enige klachten. Een certificaat hebben we evenwel niet omwille van de veelvuldig vereiste bloedtesten.
Coccidia zijn parasitaire sporen-diertjes behorend tot de eencellige organismen (protozoa). Toxoplasma is een voorbeeld van coccidia die overdraagbaar is meestal van kat op de mens. Bij schapen gaat het veelal om Eimeria. Er bestaan vaccins tegen én medicatie. Bij massale infectie wordt soms de hele kudde behandeld wat een dure grap kan zijn. [14] Tot nog toe lijken onze eigen dieren hier geen last van te hebben. Sporadisch zouden andere Wiltshire Horn fokkers hier al eens mee te maken gehad hebben.
Symptomen van diarree, vochtverlies, uitdroging (gelijkaardig als bij Nematodirus-worm) doen coccidiose vermoeden. De oöcysten kunnen worden vastgesteld in de mest.
Behandeling kan met een aantal geneesmiddelen en is best prijzig. Oöcysten zijn sporen die zeer bestand zijn tegen omgevingsinvloeden. Zij kunnen na weken (in de mest) of maanden (in de aarde) nog steeds infectieus zijn.
Wij stelden toevallig microscopisch eens oöcysten van vermoedelijk Eimeria of Toxoplasma vast bij enkele Wiltshire Horn lammeren. Dit was dusver telkens in het voorjaar (mei-juni) 2022 én 2023. Ze waren dan in vrij grote aantallen per gram mest te vinden op een bepaalde weide. Bij enkele volwassen ooien die veel melk gaven (zoogden tweelingen of drielingen) konden we er ook enkele terugvinden maar veel minder. Deze dieren waren en werden echter allemaal nooit ziek. Tegen de droge maanden juli en augustus was er niks meer te zien in de mest.
Een enkel lammetje uit een drieling had in die periode wat diarree maar vertoonde gelijktijdig ook veel eitjes van nematodirus. Na behandeling voor de nematodirus stopte de diarree. Het dier werd niet verder verkocht of ingezet voor de fok. Diens moeder verloor haar wol ook iets later dan de rest, maar dit kan ook zijn omdat zij een drieling zoogde.
Bij naburige bedrijven van vleesschapen (Texelaar, Rouge, Ile) stelden we ook in november bij achterblijvende ramlammeren die afgemest werden zware besmettingen met coccidiën vast. Ook een schapenmelkerij in de omgeving kende in 2022 blijkbaar problemen met forse coccidiose.
Behandeling lijkt ons enkel nuttig bij zieke slachtdieren om er gewicht aan te krijgen. We bevelen aan om met dieren met coccidiose niet verder te fokken. Gevoeligheid hieraan lijkt ons (uit onze beperkte steekproef en ervaring) bijzonder erfelijk.
We maakten dit 1 enkele keer mee tijdens een natte zomer (2024) bij een Wiltshire Horn ram met een ruigere vacht die blauwtong had en inactief op de grond bleef liggen en de vliegen niet van zich af schudde.
De groene vleesvlieg legt eitjes in de meestal langere en vochtige vacht van andere schapenrassen. Kan ook voorkomen achter de horens of in de nekplooien waar de wol minder goed verliest bij volwassen Wiltshire Horn rammen. Wij hadden hier zelf nooit problemen mee bij de Wiltshire Horns doch wel veelvuldig bij Swifters en Zwartblessen. Op enkele dagen tot een week tijd kon zo'n schaap bijna overleden zijn aan de brandwonden die de broeiende maden in de wol veroorzaken.
Zeer uitzonderlijk komt het nog voor, het aantal Wiltshire Horn fokkers in België die ooit wolvlieg zag bij zijn WH is vermoedelijk op één hand te tellen. Dit is één van de redenen waarom we op het Wiltshire Horn ras overgegaan zijn.
Herkennen is het belangrijkste. Snel behandelen met maden-dodende lotion (sarnacuran) dient vervolgens te gebeuren om uitgebreide brandwonden te vermijden. Wegscheren van overtollige wol is belangrijk om gemiste maden en nieuwe vliegen geen kans te geven. Vaak valt de vacht nadien uit en het schaap krijgt een nieuwe vacht. Bij laattijdig behandelen dienen de uitgebreide wonden met wondspray/blauwspray behandeld te worden tot ze gesloten zijn.
Verschillende collega fokkers vermoedden deze aandoening bij plotse dood van hun schapen. Het gaat om verlamming door toxines vrijgezet door de clostridium botulinum bacterie. Deze bacterie is verwant aan de beter bekende 'tetanus' bacterie en is ook veelvuldig aanwezig in de natuur. Bij te eiwitrijke voeding (vers groen gras, luzern, krachtkorrel) zonder vezels/ruwvoer (bvb hooi, bietenpulp, maiskuil,...) kan er overgroei van de clostridium bacterie ontstaan in het maagdarmstelsel. Het toxine dat deze bacterie produceert kan dieren hun zenuwstelsel langdurig aantasten. Dit toxine wordt ook gebruikt in de geneeskunde, beter bekend als 'botox'.
Bij overlijden kan dit in theorie door autopsie uitgemaakt worden. De diagnose kan ook klinisch als men de typische symptomen tijdig opmerkt: De dieren kunnen niet meer gecoördineert lopen, stoppen met herkauwen en blijven liggen. Na verloop van tijd (enkele uren/dagen) zwellen ze op en sterven. Veelal zou het om de best groeiende lammeren gaan of dieren die veel eten. Soms betreft het ook een volwassen ram of ooi.
Zeer eiwitrijke voeding of zeer abrupte veranderingen in de voeding vermijden. Er bestaat een vaccin dat tijdens de covid-pandemie zeer moeilijk verkrijgbaar was.
Info: wordt aan gewerkt... zie schapendokter
Geen ervaring hiermee bij sinds wij Wiltshire Horns fokken.
Deze aandoening wordt veroorzaakt door een bacterie die tot 2 weken kan overleven op de weide op resten van wol/nagels/hoeven en het gras. Hij groeit het beste bij warm weer en op vochtige hoeven/tussenklauwen.
Behandeling bestaat uit de aangedane dieren een injectie te geven met een langwerkend antibioticum (meestal een injectie met een tetracycline). Best kan je de hoeven van de aangedane dieren helemaal niet bekappen (tot eventueel kouder weer). Anders gaat de infectie steeds dieper. Bij enkel tussenklauwontsteking en niet aangedane klauw kan een antibioticumspray volstaan.
Ook kan je best zo snel mogelijk aangedane dieren in quarantaine plaatsen. De gezonde dieren worden best gescheiden van de zieke en worden bij voorkeur gedurende minstens 14 dagen niet meer op de weide waar besmette dieren liepen gelaten. Preventie kan eerst en vooral door geen dieren in je kudde te brengen met deze bacterie. Een vaccinatie bestaat ook en schijnt goed te werken maar is vaak moeilijk verkrijgbaar. Na doormaken treedt er ook een zekere immuniteit op. Toch zijn sommige dieren hier gevoeliger aan dan andere. Je kan dus ook in je kudde selecteren om klauwproblemen weg te fokken. Bij onze kudde komen klauwontstekingen nog zelden voor. We bekappen zelden of nooit.
Zelf hebben we hier geen enkele ervaring mee. Onze export-rammen testten hierop negatief voor de export in 2021. Het werd toen niet vastgesteld bij onze eigen dieren, noch bij collega's. Brucella ovis is een zoönose gaat ook over op mensen.
Info: wordt aan gewerkt...
Ongeneselijke prion-ziekte die de hersenen van schapen aantast. Dit komt uiterst zeldzaam voor bij contaminatie van het voeder waarin dierlijke resten verwerkt zitten net zoals bij BSE bij koeien. Dieren vermageren, eten slecht en gaan schuren tegen obstakels tot bloedens toe. Onze ARR/ARR stamboek dieren zijn hier in principe net als elk schaap met uitsluitend voorouders uit Groot-Brittanië genetisch immuun tegen. De ziekte werd namelijk uit het eiland weggefokt. Een genetische test hiervoor kan ook makkelijk uitgevoerd worden op een bloedstaal maar kost wel een 30-tal euro. Voor exportdoeleinden kan dit nuttig zijn, maar in België zijn veevoeders algemeen veilig. Kadavers op de weide zouden in theorie een besmettingsbron kunnen zijn. Ingenomen prionen bouwen zich in het zenuwweefsel van besmette dieren in waardoor dit defect raakt en zo symptomen veroorzaakt.
Besmettelijke huidziekte via huidcontact die wordt veroorzaakt door schurftmijten. Kale schuurplekken met schurftgangetjes in de huid zijn kenmerkend. Ivermectine injectie of pour-on zijn zeer effectief. Best alle dieren van eenzelfde beslag behandelen met injectie. De dieren met ziektetekenen best ook met topische behandeling.
Zelf heb ik dit ooit gezien bij rundvee en bij mensen, doch nooit bij mijn schapen. Hiervoor verwijs ik u liever naar andere bronnen.
Deze aandoening wordt zelden gezien door dierenartsen in België. Het gaat om een bacterie welke overgedragen wordt via teken en zich in de rode bloedcellen vermenigvuldigt. Hierdoor sterven deze massaal af. Dit overbelast de lever en leidt tot rode-oranje urine met geel uitslaan van het oogwit en nadien vochtopstapeling. De toegenomen druk op de lever vermindert de bloeddoorstroming van dit orgaan. Het bloed bevat minder rode bloedcellen om zuurstof te brengen in de organen. Op den duur gaat de lever afsterven door overbelasting, toegenomen druk en zuurstoftekort. Zonder tijdige antibioticabehandeling leidt de ziekte soms tot de dood. Laattijdig zou de dood eventueel vermijdbaar zijn door bloedtransfusies tijdens de antibioticakuur. Wij stelden toch 1 geval vast na grazen in zeer lang gras in juli 2023, het lam werd geëuthanaseerd door de dierenarts.
Door veranderingen in het voedingspatroon (rijkere voeding), typisch na regenachtig weer in de zomer krijg je net als bij 'het bloed' overgroei van een clostridium bacterie. Deze bacteriën zijn van nature in de darm van schapen aanwezig in geringe hoeveelheid. Alleen hier gaat het over clostridium perfringens type A en niet over Botulinum of tetani.
Het dier wordt acuut ziek, krijgt koorts, toxines in het bloed en verliest hierdoor eetlust. De bloedcellen sterven massaal af en door zuurstoftekort gaat de lever centraal kapot. De lammeren krijgen gele slijmvliezen en plassen donkerrood-geel door hemoglobine in de urine. Meestal leidt de aandoening tot de dood. Door tekort aan levereiwitten zwelt de kop op en ook de ruimte tussen de voorpoten kan zwellen. Er is weinig aan te doen. Soms gaat het ook over volwassen dieren. In de literatuur wordt geopperd dat vaccinatie tegen andere clostridia-bacteriën enige bescherming zou bieden doch dit werd niet voldoende onderzocht.